Recensie aangeboden aan tijdschrift M&O

Herman Kuipers, Pierre van Amelsvoort & Eric-Hans Kramer. Het nieuwe organiseren: alternatieven voor de bureaucratie.

Acco Leuven/ Den Haag, 2010, ISBN:9789033480898

 

Dit boek past in de traditie van grote leerboeken die de laatste decennia in het Nederlandse taalgebied zijn verschenen, onder de noemer van ‘integraal ontwerpen’, ‘sociotechniek’ en ‘vernieuwing van de arbeidsorganisatie’. Om tot de belangrijkste voorlopers te beperken: Het Flexibele Bedrijf uit 1986 van de Groep Sociotechniek, Slagvaardig Organiseren uit 1990 van Kuipers & Van Amelsvoort en Synergetisch Produceren uit 1994 van De Sitter. Daaromheen is een rijke school ontstaan, die allang niet meer als een sekte kan worden afgedaan. Wetenschappers, adviseurs en practitioners passen het gedachtegoed inmiddels op brede schaal toe zonder dat daarbij meestal de bron nog vermeld dient te worden.

In “Het Nieuwe Organiseren” wordt deze boodschap nogmaals met veel overtuiging in een nieuw geactualiseerd jasje gepresenteerd.

De opbouw van het boek is als volgt. Na een inleiding op de thematiek volgen nog 21 hoofdstukken verspreid over vier delen. In het eerste deel staat de positionering van het onderwerp, de beschouwing over vier ideaaltypische organisatieregimes, en wordt er tot slot het (sociaal-systeemtheoretisch) fundament gelegd. Deel 2 gaat in op de implicaties van één van de regimes, het regime van de vermaledijde bureaucratie. In deel 3 komt het alternatief aan bod: het ontwerp van flexibele structuren van de arbeidsverdeling. In acht hoofdstukken wordt stap voor stap uitgelegd hoe zo’n ontwerp tot stand kan komen. Afgesloten wordt met een hoofdstuk over de hyperflexibele onderneming, verpakt in het netwerkregime. Het laatste deel bevat de nabeschouwing, waarin thema’s aan bod komen als de veranderkunde, de merites van andere organisatieconcepten en een repliek op in het verleden geuite kritieken op de integrale ontwerpleer (cq. sociotechniek).

Het Nieuwe Organiseren is een lijvig boek, met maar liefst 576 pagina’s. Die omvang wordt door de schrijvers meteen in het voorwoord gelegitimeerd met de volgende opmerking “Lezers die uit zijn op ‘snelle’ oplossingen [voor de problemen met de bureaucratie, MP] moeten we teleurstellen”.

Daarmee is de toon gezet. Het gaat de schrijvers er om dat de geïnteresseerde lezer de problematiek van het bureaucratisch regime leert doorgronden, en nog concreter: dat de lezer de structurele achtergrond van die problemen – en het daaruit voortvloeiende dysfunctionele gedrag van mensen in organisaties - tot zich laat doordringen. Met dat inzicht kan de stap naar de oplossing ook gemakkelijker gemotiveerd worden: een herstructurering van de arbeidsverdeling richting een meer flexibel regime, of eventueel netwerkregime.

Dit boek is dus met recht een leerboek.

Zeer uitvoerig en grondig worden de – voor ingewijden reeds bekende – concepten behandeld, zoals door grondlegger Ulbo de Sitter reeds geïntroduceerd, denk aan regelcapaciteit, of denk aan de integrale ontwerpketen (als kompas voor de benodigde debureaucratisering). Vele tekstboxen illustreren de toegevoegde waarde van de geopperde ideeën.

De toegevoegde waarde van Het Nieuwe Organiseren ten opzichte van de eerder verschenen leerboeken in deze traditie is meervoudig. Ik noem vier redenen.

Ten eerste is de integrale ontwerpleer geactualiseerd door de casuïstiek meer toe te snijden op het moderne tijdsgewricht, waarin de kennisintensieve onderneming steeds meer de overhand krijgt. De sociotechniek wordt hiermee definitief bevrijd van het aloude verwijt alleen maar alternatieven voor de lopende band te kunnen bieden.

Ten tweede krijgt in dit boek het denken over organisatie een verfrissend nieuw perspectief door de positionering in een spectrum van vier organisatieregimes. (Vergelijk de traditionele ‘aanval’ op de bewerkingsgerichte structuren cq. lijn- en/of functionele structuur). Met name de toevoeging van het netwerkregime biedt ook kansen voor verdere uitwerking en verdieping in praktijk-wetenschappelijk opzicht (zie de opsomming van onderzoeksthema’s op pag. 460). Jammer is wel de wat stiefkinderlijke behandeling van het ‘oudste’ type: het pioniersregime.

Ten derde is het theoretische fundament pregnant in het leerboek ingebed. De sociale systeemtheorie krijgt meer aandacht dan in de vorige versie van de auteurs uit 1990 (i.c. Slagvaardig Organiseren). De schrijvers doen dit op een meer toegankelijke wijze dan leermeester De Sitter dat placht te doen. Het Nieuwe Organiseren draagt hiermee duidelijk bij aan de verdere  popularisering van het sociotechnische gedachtegoed.

Ten vierde is het onderricht in de structuurbouw verrijkt met een aantal aanverwante thema’s, zoals de proceskant van de integrale organisatievernieuwing (zonder welk een herontwerp nooit kan slagen), en een nog verdere sociaal-arbeidspsychologische uitwerking van de relatie tussen structuur en motivatie, allemaal met het oog op een nog betere doorgronding… Intrigerend en zeer de moeite van het lezen waard vind ik de extra aandacht die wordt besteed aan de debatten en kritieken rondom het werken in het algemeen en de sociotechniek in het bijzonder. De schrijvers bevestigen daarmee dat de ontwikkeling van de sociotechniek zich in een dynamische controversiële wereld bevindt, een wereld waarin de integrale ontwerpleer mede dankzij dit boek als stabiele factor boven komt drijven.   

In de woelige zee van nieuwe organisatieconcepties blijkt de structuurvisie van de Sociotechniek een baken van rust en stabiliteit, ondanks het feit dat er vaak aan haar poten is gezaagd met kritieken in termen van ‘out-dated’, reductionisme of absolutisme.

Sociotechniek is niet gestoeld op geloof noch op waarheid (ook al wordt er wel gebruik gemaakt van conceptuele - vaak tautologische - waarheden, met name met het oog op de ontwikkeling van de gereedschapskist), maar is wél - kritisch-realistisch – gestoeld op bruikbaarheid of nut. Terecht daarom dat de auteurs in de regel spreken van ontwerpleer, en níet een ontwerptheorie.

Het gaat om ontwerpkunde, en niet om het propageren van ontwerpmodellen, waarmee één van de veelvuldig geuite kritieken (teams als panacee) soepel wordt gepareerd.

Met behulp van metaforen als de landkaart, de bril en het kompas wordt dit geduldig uitgelegd. “Zuiver in de leer, maar soepel in de uitvoering” is ook zo’n one-liner die het pragmatisme benadrukt.

Als ik dan toch nog wat kritische noten mag plaatsen, dan beperk ik me tot opmerkingen van academische aard. Een aantal meer fundamentele kwesties wordt namelijk niet opgehelderd.

Allereerst, wat zijn nu de elementen van het sociale systeem, wat wordt er structureel gegroepeerd en gekoppeld? Zijn het de activiteiten (uitvoerend, regelend), of de werkplekken (cq. knooppunten) of – zoals ook ergens in het boek wordt opgemerkt – de mensen? Een essentiële vraag waar ‘de ontwerper’ toch een helder antwoord op verdient.  

Daarnaast, wat houdt nu eigenlijk het adjectief integraal in, wat wordt er geïntegreerd? Zijn het de niveaus, de delen van de organisaties of betreft het het samenspel tussen aspecten, functies of doelen die een organisatie bevat? Mijn voorkeur gaat uit naar het laatste omdat de ontwerpleer – zoals door de Sitter gepropageerd - zich daarin naar mijn mening met name onderscheidt van andere meer partiële concurrerende benaderingen. De aanpak op holistisch structuurniveau is dan een logische noodzaak cq. vervolgstap, omdat de structuur alle aspecten in de organisatie verbindt.

Academici die geïntrigeerd zijn door dit type vraagstukken raad ik toch aan om mede de basiswerken van Ulbo de Sitter te raadplegen. Zeker als men verlangt naar de gloedvolle en ingenieuze – maar vaak ook polemische – betooglijnen van deze grondlegger, ingebed in provocerende retoriek. Die kenmerken bevat Het Nieuwe Organiseren niet. (Ook al zijn sommige argumentaties weer heel ‘sitteriaans’ opgebouwd, zie bijvoorbeeld het geval van de wasvrouw op pag. 523). In die zin kan Het Nieuwe Organiseren derhalve ook beschouwd worden als een zakelijke en nuchtere weergave van de verdiensten van de integrale ontwerpleer, met niet al te veel excursies.

Resumerend

Het boek is goed geschreven, zorgvuldig geredigeerd, ook al is zichtbaar dat de hoofdstukken van de hand van verschillende auteurs zijn. Het Nieuwe Organiseren bevat legio passages die uitnodigen tot eye-openers, aha-erlebnissen, instemmend knikken of het plaatsen van uitroeptekens in de kantlijn.

De prachtige illustratieve cases uit de actuele werkelijkheid van huidige bureaucratieën, uit het openbaar bestuur, de overheid en de zakelijke ‘professionele’ dienstensector, vervullen een complementaire functie. 

Ondanks de lijvige omvang is dit boek zonder meer een aanrader voor iedereen met interesse in het nadenken over alternatieve structuren van arbeidsorganisaties.

Knap is het om een complex onderwerp, wat de transformatie van organisatieregimes toch is - met zo’n diversiteit aan verschijningsvormen en met zoveel raakvlakken en aanverwante thema’s,  om dat zo helder te behandelen. Dat vraagt echter wel tijd van de lezer, maar dat is de prijs die voor het toegenomen inzicht wordt gevraagd. En de prijs die de boekhandel vraagt (€45,00) is dan volledig te billijken.  

Nijmegen, oktober 2010

dr.ir. Marc Peeters

Zelfstandig ondernemer Tekstproduktie & Onderwijsbegeleiding