De man die niet vertrekken wil

Adam Meyer is een man die zichzelf nooit zou willen beschrijven. Waarom zou hij ook? Hij laat zich drijven door ambitie, door daar zo veel als mogelijk naar te handelen.


Eén van die ambities betreft het bestijgen van bergen. Meyer weet als geen ander dat het aardoppervlak geen pannenkoek is. Het beeld dat zich ontvouwt achter zijn netvlies is er eentje vol reliëf, vol grilligheden. In een dwaze benevelde toestand kan hij weleens 'n bespiegeling opzetten over de raakvlakken tussen die geografie en de aard van de mensch. Maar er is niemand die luistert.


Nu zit hij hier al dagen gekluisterd in dit bergdorpje, wachtend op de geschikte dag. Meyer is nu eenmaal niet zo zot om puur op zijn instinct als een woest roofdier maar naar boven te stormen. Wachten, wachten, de kunst van het wachten, predikt hij dan. "Adam", vraagt zijn wijze zus hem weleens, "wat doe je de hele dag? " "Wachten Eva, wachten op de dag des oordeels'.


Iedere ochtend schuift Meyer het gordijntje van zijn hotelkamer hoopvol opzij. Zijn blik verraadt alles. Tot nu toe zijn het alleen pruilmondjes die verschijnen. Bedrukt sjokt hij dan weer naar de ontbijtzaal. De Gastwirt voelt met hem mee. "Herr Meyer, es tut mir Leid, wir warten allen auf das bessere Wetter."
Dan besluit hij om maar weer eens het dorpje in te gaan. In de plaatselijke Konditorei bestelt hij een 'latte macchiato'. Hij nestelt zich aan een tafeltje met zicht op het plein. De serveerster in Dirndl-tenue groet hem hartelijk: "Bitte Herr Meyer", en terwijl ze de bestelling op het tafeltje plaatst: "die Vorhersagen sind nicht positiv". Meyer knikt, in het besef dat het haar schuld niet is, met dezelfde regelmaat als de druppels tikken op het regenscherm.


Door de miezer voltrekt zich voor zijn ogen een parade van voorbijtrekkende mensen. De een met een boodschappentas, de ander met een rolkoffer, allen echter verschanst achter een sluier van 'geen contact willen zoeken'.


Voor Meyer zijn het mieren, in colonne op weg naar niets. Of - in een zwartgallige bui, zoals vandaag - ratten die uit hoeken en gaten verschijnen en bij het minste of geringste weer wegschieten.


Het is Meyer eerder opgevallen dat er weleens iemand hem toeknikt. Geen wonder eigenlijk, de enkele vreemde is een bekende, andersom niet. Ditmaal is het een man in tweed broek en velours jasje die zich speciaal lijkt te buigen voor hem, alsof hij zich verwaardigt vanonder zijn baldakijn.


Aan het einde van de dag komt Meyer weer in zijn hotel aan. Hij klopt de druppels van de paraplu, en schuift deze in de bak bij de ingang. De receptioniste pakt zonder aanwijzingen de goede sleutel van het bord.


"Bis später", zegt Meyer.


's Nachts beleeft Adam Meyer een nachtmerrie. Ratten die hem achtervolgen, mieren die door zijn schoenen kruipen, hij rent de berg op, schreeuwend om zijn zus. Als door een adder gebeten zit Meyer ineens wakker rechtop in bed. Hij staart naar het schilderijtje voor hem aan de muur waar een typisch zomers alpien tafereeltje is uitgebeeld. Vervolgens pulkt hij wat aan de wrat op zijn linker neusvleugel, en staat op.

Vertrekken? Meyer denkt er niet over. Hij wacht op de goede dag, die elk moment dichterbij komt. Zijn volharding, of koppigheid, zo onverwoestbaar als de muren van een middeleeuwse vesting. Niemand in zijn entourage, ook Eva niet, kan hem op andere gedachten brengen. Zijn enige devies is afgeleid van ambities.


Op een dag schijnt ineens de zon. Meyer verschijnt in vol ornaat aan het ontbijt. De bergschoenen plompen over de parketvloer. De stokken zet hij weg bij de ingang. Het hoedje met ganzenveer legt ie in trance neer op de gedekte tafel met zijn naambordje.


Bij het verlaten van het hotel schrijdt Meyer naar buiten, alsof hij elke stap intens wil beleven. De gerant maakt een diepe buiging, één hand op de rug, om de andere een gesteven servet: "Schönen Tag Herr Meyer".


Later, aan het eind van de dag bij terugkomst zegt Meyer: "Morgen haue ich ab." De Geschäftsführer fronst de wenkbrauwen. Adam Meyer lacht, zowaar.

Marc Peeters
September 2017