Het succes van de Strade Bianche

Afgelopen zaterdag zat ik voor de buis om te kijken naar de finale van de Italiaanse eendagswedstrijd Strade Bianche, Italiaans voor witte wegen, eufemistische aanduiding voor gravel of steenslag.

Vanaf het moment dat de beelden de ether ingeslingerd werden was ik geboeid, zat ik op het puntje van de zetel. Ik zag een finale die op reeds meer dan 50 kilometer van het einde werd ontvouwd. Via de helicopter kwamen beelden door die duidelijk maakten dat er zich reeds belangwekkende schermutselingen aan het front voordeden, namen van grote kanshebbers werden genoemd, waaronder Kwiatkowski, Valverde, en Wout van Aert, dan al de verrassing van de dag. Ik wilde meer weten, een gegeven dat meestal samengaat met fascinatie.

Gecombineerd met de wonderschone beelden, waarop Toscaanse cipressen en wijngaarden het parcours flankeren, zorgde dit ervoor dat ik vanaf dan geen moment van het TV-scherm week. Vaak genoeg kan ik tijdens een wielerreportage mijn tijd besteden aan iets anders. Nu bleef de column van Bert Wagendorp ongelezen naast me liggen, voor het bijknippen van mijn teennagels resteerde geen tijd, of het toonbeeld van verveling: het aanrecht schoonvegen. No way, zelfs de blaas met overtollig vocht hield ik bij me tot in Siena.

Terwijl ik zo gebiologeerd zat te kijken, begon het mij te dagen waarom nu juist deze koers mij het gewenste spektakel voorschotelde. Het sleutelbegrip is controle. Hoe meer die ontbreekt hoe meer chaos, hoe meer anarchie, hoe meer onvoorspelbaarheid, hoe meer het aloude ideaal van ‘man tegen man’ opborrelt. Ik wil verrast worden, hoe meer hoe beter, en hier werd ik op mijn wenken bediend. Net als in die andere analoog archaïsche wedstrijd in Frankrijk, Parijs-Roubaix, waar het spel ook vaak reeds ver van de streep op de wagen gaat.

Heeft het met het wegdek te maken? De sterrati respectievelijk pavés? Ja, ik denk het wel. Zie de wedstrijden die zich afspelen op klimmend asfalt, denk aan de bergetappes, of de heuvelklassiekers als Luik of Lombardije. Vroeger zeiden we altijd ‘wacht maar tot de bergen komen’, dan het is het ‘man tegen man’. Dat romantische ideaal is langzamerhand gesneuveld. De treintjes regeren van de Alpen tot in de Ardennen. Probeer dan als dappere eenling maar eens weg te komen. De muilen van de ploegbrigades worden open gespreid, en peuzelen je tergend langzaam maar gestadig weer op. Einde avontuur.

In Parijs-Roubaix en Strade Bianche zie ik dat niet, daar leent het wegdek zich niet voor gegroepeerd rijden. Elders is het asfalt verworden tot kleefpasta.

Ondertussen dendert de koers voort. Renners steken over, Sagan (natuurlijk hij) en ook Benoot, ze maken de sprong naar de kop van de wedstrijd. Oversteken, ook zo’n fenomeen dat ik zelden nog meemaak in het hedendaagse wielrennen, coureurs die zorgen voor een verandering in het palet, die opduiken aan het front, hetgeen meteen vragen oproept: is die goed? waar zat die dan? wat gaat ie nog doen? Simpele maar logische vragen die de kijker bezig houden. Er is niets méér dat ik wil.

Co-commentator Sven Nijs zegt dat de renners rijden met 28 mm-bandjes. Ik moet wat schaapachtig glimlachen, want eind jaren ’80 fietste ik met bepakking door het zelfde gebied, misschien wel over dezelfde wegen, op 22mm-bandjes. Vanuit de naïeve gedachte dat hoe smaller ook minder rijweerstand betekende. Op de Kümmerly+Frey kaart zagen we dat sommige wegen onderbroken gestreept waren, strade non asfaltade stond er in de legenda. Wij haalden onze schouders op, jongens van Jan de Wit, kom op zeg. Ik heb het geweten, het eindigde in een lekkebandenfestival.

Soit, de Monte Paschi Eroica, zoals de koers voorheen veelzeggend heette, is een topkoers, noem het een monument. Voor de komende jaren rood omcirkeld in mijn agenda.

Op de albo d’oro nu reeds ronkende namen. Cancellara, Gilbert, Stybar, Kwiatkowski, dat zijn tenoren uit het hedendaagse ééndagskoor. Moser, een naam die klinkt als een klok, zeker in Italië, ook al betreft het hier dan het neefje van. Tiesj Benoot, nog geen grote jongen? Laat ik dit zeggen, je hebt koersen, als je die wint, dan bén je een grote jongen. De Strade Bianche maakt grote coureurs.

Dirt roads noemen ze ze wel, in het Engelstalige deel van de wereld, vieze wegen. Zal wel, ik vind het een schone koers.

Marc Peeters
7 maart 2018