Ulbo's wijze lessen

Op 18 december van dit jaar (2010) overleed Ulbo de Sitter, door mij in ruime mate gewaardeerd afstudeerbegeleider en promotor. Ulbo was mijn grote bedrijfskundige leermeester.

Ter herinnering aan hem las ik nog eens na wat ik voor hem geschreven had ter gelegenheid van zijn emeritaat in 1995.

Ik vind de tekst nog steeds even sprekend als toen.

Ter nagedachtenis hierbij het volledige verhaal, taalkundig enigszins aangepast, met enkele  toelichtingen waar nodig.

(De oorspronkelijke versie is verschenen in: FM van Eijnatten (red), Als het maar stroomt! Ulbo de Sitter: laveren tussen simpel en complex. Van Gorcum 1995.)

Aan de Technische Hogeschool te Eindhoven maakte ik De Sitter nog nét als hoogleraar Sociotechniek mee. Ik heb een tweetal anekdotische herinneringen van mijn eerste confrontaties met hem opgehaald.

Ik liep al enige jaren op Bedrijfskunde rond zonder een directe betrokkenheid of passie bij welk vakgebied ook te tonen. Ik had hooguit een vage onbestemde belangstelling voor vraagstukken rondom de rol van de factor arbeid in bedrijven.

Op een gegeven moment was ik toe aan mijn tweede stage (‘praktisch werken’ hadden de curriculumbedenkers dat met gevoel voor understatement genoemd). Via een werknemers-‘minded’ onderzoeksgroep van een gloeilampenfabriek kwam ik in contact met een bedrijfsledengroep (een groep bedrijfsactieve vakbondsleden). Samen bedachten we dat het interessant zou zijn de gevolgen van een nieuw computergestuurd besturingssysteem voor de produktie uit te zoeken. Mijn aandacht moest vooral uitgaan naar de kwaliteit van de arbeid. “Kwaliteit van de arbeid”, dacht ik, “dan moet ik bij De Sitter zijn”. Die vond het onderwerp buitengewoon interessant en wilde mij graag begeleiden. Het sloot goed aan bij zijn toenmalige onderzoeksaandacht.

Ik ging enthousiast aan de slag, las veel in de literatuur en mocht af en toe incognito (het bedrijf hield niet van pottenkijkers) een blik in de keuken werpen. De produktieafdeling waar het systeem operationeel was, maakte op mij een complexe indruk. Ik kon er aanvankelijk geen touw aan vastknopen hoe de vork nu in de steel zat. Met wat vertrouwelijke documentatie, die mij onderhands door enkele OR-leden werd doorgespeeld lukte het mij toch om een beeld van de werking op de produktievloer in het verslag op te tekenen. Ik brouwde als vervolg daarop enkele bespiegelende hoofdstukken, vooral gebaseerd op antagonistische teksten uit de zgn. arbeidsprocesbenadering, en sloot af met een somber perspectief voor de werknemers.

De Sitter las het verhaal, en waardeerde mijn verdieping in de achtergrondliteratuur. Al snel bladerde hij echter naar de pagina alwaar ik een grove schets van het produktieproces had gegeven. Hij draaide de pagina om en tekende op de achterkant snel enige blokken met ogenschijnlijk lukraak wat pijlen ertussen, mij onderwijl vragend: “Waarom heb je niet bekeken of de produktie ook zó bestuurd kan worden? Dan heb je dat hele systeem helemaal niet nodig!” Hij keek mij triomfantelijk aan.

Ik stond perplex. Zo ver had ik niet nagedacht. Kennelijk had ik de produktiesituatie te veel van buitenaf, als een onveranderbare ‘black box’ beschreven.

Dit gesprek met De Sitter was mijn eerste echte kennismaking met de Sociotechniek. Ik leerde hieruit dat sociotechnici bij voorkeur in de praktijk werken. Zij willen sleutelen aan de variabelen in de produktie. Uit de confrontatie volgde de eerste les: Sociotechniek is een praktijkwetenschap.    

Kort daarna startte ik mijn afstudeeronderzoek. Ik had mij in de loop der jaren verdiept in het zgn. alternatieve bedrijfsleven, waaronder ook vielen de (formeel) gedemocratiseerde organisaties. Indachtig les 1 uit de Sociotechniek wilde ik wel eens grondig bekijken hoe de situatie er in die bedrijven nu echt op de werkvloer uitzag. Ik maakte een onderzoeksvoorstel, legde contact met enkele coöperatieve bedrijven en maakte een afspraak met De Sitter. Ik had zojuist bij hem de colleges “Industriële Democratie” afgerond en dacht: “Bedrijfsdemocratisering? Dan moet ik bij De Sitter zijn!” Die vond dat hartstikke interessant: het onderwerp betrof een oude hobby van hem.

Ik ging aan de slag, las veel in de literatuur en kwam geregeld in de bedrijven.

Het eindrapport werd met veel instemming door De Sitter ontvangen. Ik had gestoeid met de sociotechnische concepten ‘regelcapaciteit’ en ‘werkdruk’, en ik was tot de stellige conclusie gekomen dat democratie aan de bestuurstafel niet gelijk op hoeft te gaan als democratie op de werkplek. Hij plaatste echter ook een kanttekening, ik had niet anders verwacht…

“Waarom had ik de produktie-organisaties niet kritischer geëvalueerd?” Als voorbeeld nam hij de schoenenfabriek. Daar had ik het produktieproces tot in detail geanalyseerd. Drie verschillende schoentypen ondergingen in totaal een resem aan bewerkingen.

“Waarom heb je niet gekeken of die produkten op een aparte lijn gefabriceerd kunnen worden? Dan vergroot je de mogelijkheden om kwaliteits- en planningstaken naar de medewerkers te delegeren.”

Hij keek mij fronsend aan. Tsjaa, ik stond weer perplex. Ik had de betreffende fabriek intensief beschreven, en was tot de conclusie gekomen dat de zaak als een tierelier liep. Klanten waren zeer tevreden en het personeel maakte op ambachtelijke wijze vaak complete produkten. Waar zou ik me nog druk om moeten maken?

Maar zo werkt de Sociotechniek niet! Zij legt zich niet neer bij de ‘status-quo’, maar zoekt naar (structurele) verbeteringen zodat organisaties nog beter kunnen presteren. Ik leerde hieruit dat voor sociotechnici de waarheid niet in de werkelijkheid ligt. De sociotechniek vaart op het kompas van normen, niet gebaseerd op de huidige situatie maar op kansen, mogelijkheden en perspectieven die in de toekomst besloten liggen. Dat was mijn tweede les: Sociotechniek is normatief.

Ziehier in een notendop mijn basisopleiding in de Sociotechniek. Ik heb beide lessen goed in mijn oren geknoopt. Inmiddels, tien jaar later, vormen ze voor mij een evidentie in de uitoefening van mijn onderzoeksvak bij TNO.

(oorspronkelijke tekst geschreven en verschenen in 1995)

Naschrift

Ulbo de Sitter heeft me een maand later in een persoonlijke brief bedankt voor dit statement. Hij merkt onder andere het volgende op, op citaat: “….Grappig is dat ik me van de door jou opgehaalde herinneringen niets meer kan herinneren. Ik ben het met je eens, ons vak is in de eerste plaats een praktijkwetenschap, met theorie als ondersteunend fundament….”

Op 18 december 2010 is hij overleden aan de gevolgen van een agressieve vorm van Alzheimer. Requiescat In Pace.  

 

  

(Oosterbeek, 26 januari 2010)