Kruispunten in het leven

Ya era hora de decirte claramente
Que si te pierdes, yo te iré a buscar
(Amaral - Ahi estás)

Dinsdag 14 oktober 2025
Daar sta ik dan. Turend in de verte. Net als in een schilderij van Caspar David Friedrich, was het maar zo. Boven mij cirkelen roofvogels.



Drones? Nee. Vale gieren lijken het, zonder GPS.
Geen idee waar ik mij bevind. Ik wacht op redding. Wat komt er allemaal naar boven. Hoe heeft het zo ver kunnen komen?

Ruim een uur eerder heb ik de Vía Verde de Ojos Negros moeten verlaten.
De Vías Verdes (Spaans voor Groene Wegen) vormen in Spanje een groeiend netwerk van fietsroutes, hoofdzakelijk gebouwd op voormalige spoorlijnen. De aantrekkelijkheid voor fietsers (en vlakbij stedelijke kernen ook voor wandelaars: de fietsweg als ontmoetingsplek voor alle niet-gemotoriseerde weggebruikers, jong en oud, sportief en minder valide etc) ligt voor de hand, dankzij de oorsprong van een spoorweg. De routes lopen dwars door de natuur (spoorwegen hoefden immers nooit rekening te houden met overig verkeer). Plus de geleidelijkheid van klimmen en dalen, maximaal 2%, wel zo fijn.
Het fietsen over hoge spoorwegtaluds zorgt voor bijzondere uitzichten. Fietsen over viaducten is zelfs spectaculair. Af en toe duik je in het virtuele spoor van de trein door een tunnel, hetgeen extra spanning brengt.
Maar vooral dit dus: je bent verlost van die horzels, de knorrende beesten, de ‘wegconcullega’s’ die het leven van de doodgemoedereerde fietser zuur maken. Klinkt paradijselijk, toch?
Ja dus.
De Vía Verde: altijd rechtdoor, geen kruispunten, geen keuzestress.
Ongelovelijk.

In totaal heeft Spanje nu een web met in totaal opgeteld zo’n 2500 kilometers. Vanuit de lucht gefilmd met een drone, of ouderwets op een kaart, ziet het eruit als een rommelig raster van spaghetti-sliertjes. Vaak houdt een traject ineens op, ontbreekt de aansluiting met een andere Vía Verde.
Het paradepaardje van de Vías Verdes is de Ojos Negros. Wat deze zo populair maakt is de lengte. Hij telt in totaal 160 kilometer, onafgebroken, zo gaat het verhaal. Plus het feit dat een combinatie met citytrip naar het nabijgelegen Valencia voor de hand ligt.
De spoorlijn was ooit aangelegd om ijzererts vanuit de hoge binnenlanden te transporteren naar het havenstadje Sagunto. De naam Ojos Nogros (Zwarte Ogen) verwijst naar de gaten in de ijzermijnen.

Die ochtend ben ik vertrokken vanuit La Puebla de Valverde.
Ik was gewaarschuwd door Spanjaarden, door collega-fietsers, en door kenners van de route: het fietspad is geen uitgerolde rode, laat staan groene loper. In La Puebla had ik de, de dag voordien opgehoopte, klei-achtige modder al moeten verwijderen. Vandaag word ik geconfronteerd met omleidingen. De Spaanse overheid is bezig met de elektrificatie van het huidige spoornet, alles met het oog op de AVE (Spaans voor HSL) richting Zaragoza. De DANA (la gota fría/ de koude druppel), de watersnood van vorig jaar, heeft ook de nodige schade aangebracht. Aangezien het moderne AVE-tracé grotendeels parallel loopt met de oude mijnlijn ondervindt mijn route ook zijn kuren.
Ja dus?
Al snel is er de eerste omleiding. Met ingecalculeerd ongemak leg ik het stuk af. De Vía Verde zelf is grotendeels aangelegd op verhard grind, aangestampte aarde, of zelfs asfalt. Voor een tijdelijke omleiding gaat de lokale overheid geen stratenmaker inhuren. Hier rijden normaal alleen boeren met hun tractoren. Voor zover ze er rijden, want ik fiets door het gebied dat bekend staat als ‘La España vaciada’, het lege Spanje.
(El Atlas de la desertificación de España zegt dat 40% van het land inmiddels kwetsbaar is voor verwoestijning.)
Derhalve besluit ik stukjes te lopen. Ik wil geen extra risico op lekke banden lopen, en ook geen risico op schuivers of glijpartijen. Ik aanvaard het lot, ik was immers gewaarschuwd. Bovendien lukt het mij de ligging van de basis-route voortdurend in gedachten te houden, zo ik deze al niet in het vizier houd. Gelukkig is bij deze omleiding de bewegwijzering meer dan voldoende.
Na een kwartiertje duwen met de ‘push bike’ ben ik weer op het padje.
Enkele malen kan ik vervolgens via een olifantenpaadje de hekversperring op de route ontwijken, precies zoals een informant in de herberg enkele dagen voordien mij had geadviseerd.

Maar nu sta ik echt voor een onmogelijke passage: vanaf de dam van de voormalige spoorlijn zie ik een gapend gat gevuld met brak water, met wat betonduikers die wachten op hun bestemming.



Een bord geeft aan dat er weer een omleiding is. Niet duidelijk is echter welke richting (links of rechts) ik moet.
Ik kies de afrit die leidt naar een boerderij waar ik van veraf zie dat er mensen werkzaam zijn met de oogst. Daar aangekomen wordt er gewezen naar de jefe, die klaarblijkelijk de omgeving goed kent. Zijn uitleg is klip en klaar. ‘Je moet de andere kant op, de landweg vervolgen’. Op mijn vraag hoe ver de omleiding is, zegt hij met enig nadenken, alsnog doodgemoedereerd ‘5 maximaal 6 kilometer’.
Wel dus.

Het eerste stuk loopt goed, ik kan zelfs doorfietsen over de harde ondergrond. Er is bewegwijzering.



Ik ben het nu al zat, die desvios. Voor mij geldt er maar een desvio, en dat is ‘El desvio a Santiago’, de vertaalde titel van het onvolprezen boek van Cees Nooteboom. (Een ander woord voor omweg in het Spaans: rodeo. Maar bij ons denk je dan meteen aan gevaarlijke bokkensprongen op een wilde stier.)

Maar hup, ik moet door, geen tijd voor bespiegelingen nu, snel volgen er meer kruispunten. Punten die een besluit vereisen, want geen bordjes meer.
Ja dus.

Wat zijn de indicaties die de reiziger meeneemt in zijn beslissing? Ik noem er enkele.

  • Het uiteindelijke doel: terugkeer op de spoordam. Ergo de oriëntatie (Hey boomer: kijk op Google Maps)
  • De instructie van de jefe: vervolg de landweg
  • Taxatie van de opties, rutas principales versus rutas secondarias
  • Let op sporen, fietssporen bij voorkeur.
  • Truukje: zoek de tegenovergestelde bewegwijzering (maak een voorlopige keuze en draai je hoofd, zie je een bordje?)
Ik zie bananenschillen liggen, verweerd. Een voedsel-bioloog zou de leeftijd kunnen schatten. Ik interpreteer het als een spoor van de fietser die ravitailleert.
Geen keuze is ook een keuze, maar dat schiet niet op. Vooruit met de geit.
Iene miene mutte, tien pond grutte.
 
De reiziger is de mens in een notendop. Kruispunten in het leven, keuzes op ratio, intuïtie of instinct. Keuzes leiden tot bezuren, onverschilligheid of verrassing.
De wielertoerist van tegenwoordig leeft bij de gratie van uitgezette routes, dankzij Komoot of welke appificatie ook.
Ik ben geen wielertoerist.
Ontdekkingsreizigers als Stanley of Livingstone floreerden bij de zoektocht, het kappen van lianen in de jungle.
Ik ben geen ontdekkingsreiziger.

Iemand vertelde onlangs op de radio hoe hij afgelopen zomer de populaire route van de Cinque Terre in Italië had gelopen. Een app of route-aanduiding was overbodig. Enkel het volgen van de andere toeristen volstond.
La Tierra Incógnita. Angst voor de leegte. Elders in dit land struikel je over rolkoffertjes en magnetiserende mobieltjes, hier is niets. Zoveel fietsers zijn mij voorgegaan, zo velen zullen mij volgen. Maar nu niet.
Ze zouden gelokt zijn door gelikte flyers, uitgedeeld op beurzen, of down te loaden van het internet, inclusief de tracks met Wikiloc.
Mmm dus.

Op zoek naar het spoor van het oorspronkelijke spoor. Rolstoelvriendelijk is het hier al lang niet meer.
Ik zie boerderijen liggen. Hoe dichterbij ik kom, hoe meer ik moet vaststellen dat het bouwvallen betreffen. De illusie van even aanbellen vergruist met elke stap die ik zet op de keien.
Dan toch leven, ik kom langs een koraal met schapen. Ze kijken mij aan zoals alleen schapen kunnen kijken.
Waar zijn nu die puñetero bordjes? Gejat als collector item?
Er hangen lintjes aan de bomen. Ik word uitgedaagd er een betekenis aan te geven. Vroeger zou je denken, dit is voor een dropping. Nu denk ik dat ze bedoeld zijn als richtingwijzer. Misschien voor de landbouwer, die de opdracht heeft gekregen heeft de schapen uit de koraal op te halen. Althans dat hoop ik, ik grijp me eraan vast, schaapachtig.

Is de Ojos Negros het ‘pièce de résistance’? Bij mij slaan de ogen zwart uit. Mijn hoofd een mengsel van een snelkookpan en een hogedrukreiniger. De mij omringende leegte beukt op het volle hoofd. Stilte alom, nog niet eens een voorbijtuffende trein in de verte.
Ik ben de weg kwijt, verschijnselen van dementie? Zelfs Antonio Machado met zijn gevleugelde woorden ‘caminante, no hay camino, se hace camino al andar’ biedt geen soelaas.
Google Maps is de Homo Deus voor de reiziger, de app die alles wikt en vervolgens beschikt. Geen GPX die bestand is tegen zo’n stream of consciousness.
Ja dus.

Vanaf een satelliet werpt Google Maps mij een blik op de Vía Verde. Ja, mooi en aardig, ik schat hier ruim een kilometer hemelsbreed vandaan. Maar deze applicatie vertelt mij niet hoe dat pad loopt, welke obstakels nog zullen opdoemen. Plus de vraag of hier de rentree op het fietspad wordt aangegeven. Ja logisch, ook een spoordam werpt een dam op.
Daar sta je als digitale immigrant. Ben ik nu een bedreiging voor de autochtone digi-nerd? Dan heb je ooit wel differentiaalrekeningen leren oplossen, maar hier staat de boomer met de mond vol tanden. Ooit zat ik bij de padvinders. Maar wat heb ik daar dan opgestoken? Timmersteek, paalsteek, mastworp, schootsteek ... helpt allemaal geen steek, tel je knopen.

Er komt een moment dat je besluit je mobiel te pakken. Wat anders? Omkeren en terugstrompelen? Iedere gedachte rolt onmiddellijk achterwaarts mijn hoofd uit.
112, International Rescue. Er wordt opgenomen.
Er wordt mij gevraagd de ‘ubicación’ (lokatie) door te geven.
Hey boomer!



YA LE TENEMOS UBICADO. GRACIAS A USTED.
Zowaar, een onbehouwen geluksgevoel trekt door mijn lichaam.

Binnen de Bermudadriehoek van paniek, stress en wanhoop dood ik de tijd, gelijk een ijsbeer. Armen en handen geboeid op de rug. Ik ga steentjes wegschoppen. Na verloop van tijd probeer ik de passing van Pedri te imiteren. Doelpunten blijven uit.  Dan hoor ik vanuit het dal het verlossende geluid van de sirene. Alleen voor mij, want er is hier verder niemand die gewaarschuwd moet worden.
In de Griekse mythologie waren de sirenen half gier, half vrouw. Gieren zijn er hier al, maar een vrouw? Voor Odysseus vormden de sirenen geen verlossing maar een kwelling. Uit voorzorg liet hij zich daarom indertijd, om de lokroep maar te kunnen weerstaan, vastbinden aan de mast van zijn schip, met kennis over de mastworp: handig. Hier komt de sirene naar mij toe. Onbewust een list die ik zelf verzonnen heb.

Sirens on the rooftops wailing, but there's no ship sailing.

Er stappen drie politieagenten uit, waaronder ¡vaya sorpresa! een vrouw. Bij de Thunderbirds was dat Lady Penelope, inderdaad Penelope, ook de onbestorven weduwe van Odysseus.
Alle strak in uniform. Met een serieuze blik die mij van de weeromstuit stram in de houding doet schieten. De man die de auto bestuurde richt het woord tot mij. Of alles goed is, of ik water heb. Hij overlegt even, de vrouw apart, onderin de hiërarchie, lijkt het.
Een politieopstelling die weggeplukt lijkt uit een aflevering van Flikken Maastricht. De man houdt zijn zonnebril losjes in de linkerhand. De andere twee houden hun rechterhand opzichtig in de buurt van hun broekzak.
We brengen je terug naar de grote weg. Maar eerst vraagt hij mij me te identificeren. Er zou hier zo maar een immigrant kunnen staan, illegaal en niet digitaal.
Ik vraag hem waarom mij niet af te zetten op de Vía Verde? Ik ben hier om te fietsen immers.
Die is niet bereikbaar voor ons. Inderdaad een soort transit net als die ene die ooit dwars door de DDR naar Berlijn ging.
Ga maar vooruit, op de fiets, wij volgen je.
Gehoorzaam volg ik de orders op. In de afdaling durf ik niet te fietsen, en ga ik te voet verder. Gelaten laat ik alles op me inwerken.
Na een paar 100 meters hoor ik de politiewagen mij inhalen. Hij stopt. De politieman zegt mij dat we het anders gaan doen. Zo schiet het niet op, laat hij duidelijk blijken. We gaan de fiets inladen. Wielen moeten eruit. En dan nog is het proppen. ‘Hombre, ¡qué alto eres!’ Ik lach, schaapachtig.
Ik stap in, en we rijden. De twee politieassistenten zie ik in de achteruitkijkspiegel het pad aflopen.
Zo voel je je weer even de gouverneur, de hoogwaardigheidsbekleder uit koloniale tijden. Ik als een pasja voorin de auto, het voetvolk achter je latend.
Ja dus.

Ik mopper wat op die koekenbakkers van de Vía Verde. Is het nu zo moeilijk om te controleren of die bordjes er nog hangen? Waarom niet een ranger benoemen, zoals in de Nationale Parken in de VS. Bij mij thuis op de snelfietsroute Nijmegen - Arnhem heb je ook zo iemand, of die heet dan ineens steward. Bedenk er maar een Spaans woord voor.
Spanje een ontwikkelingsgebied? Nou nee, alle begin is moeilijk. Allicht vormen de Radfernwege in Duitsland een benchmark, terwijl het land toch nog niet zo lang geleden gold als een autoland (Wir fahren, fahren auf der Autobahn) bij uitstek. Nee, en dan nog, iets primitiefs heeft zijn charme, het nestelt de reiziger in zijn eigen initiatief, verantwoordelijkheid en zingeving. Dwars tegen alle ‘all inclusive’ luxe en gekte in. Het marketing-monster heeft hier nog niet toegeslagen. Veel picknickbanken langs de oude spoorlijnen, dat wel. Soms een plek met stenen en rooster voor de bbq. Maar nergens zie ik een prullenbak, laat staan een koffiebarretje.
Spain is different, was de slogan waarmee het land zich in de nadagen van de Franco-dictatuur van buitenlands geld probeerde te voorzien. Dat was zo, en dat is zo. Ten goede of ten kwade, trek uw plan.

Een maand eerder. Ik sta op het punt om me terug te trekken voor deze expeditie. Lichaam en geest hangen in de touwen. Het zijn de mensen van ConAlforjas (een Spaanse community van fietsreizigers) die mij overtuigen, om toch te gaan.

Ik zet je af bij een wegrestaurant. Hay buena comida. En hij maakt er het gebaar met het ringetje van duim en wijsvinger bij.
Tijdens de rit denk ik aan haar. Hoe zij, terwijl ik hier vorstelijk in de wagen van haar chef zit, gedwee naast haar collega het pad afloopt. Wat gaat er door haar heen? Hoe oud zou ze zijn? Hoe lang is ze al in opleiding? Wat zou ze vanavond aan tafel zeggen.
Vandaag hebben we weer zo’n bobo [sukkel] gered.
Ze monkelt wat, en denkt bij zichzelf: Ik had beter camarera [serveerster] kunnen worden. Zwijgend stapt ze verder, op haar stoere politielaarzen. Todo por la patria.

Als ik arriveer in Viver, nomen est omen, stuur ik een app-bericht naar 112, om nogmaals mijn dank uit te spreken, en ook om expliciet te vermelden wie hier nu de bobo [sukkel] is: de lokale autoriteiten die van de Vía Verde een puzzeltocht hebben gemaakt.
In hoofdletters krijg ik snel hun antwoord.
ESTAMOS PARA AYUDAR Y NOS ALEGRAMOS DE HABERLO HECHO. UN SALUDO

‘s Avonds in het café: La Roja speelt tegen Bulgaria. Uitslag 4-0. Alles lijkt weer normaal. De camarera weet hoe zij mij gelukkig maakt.
Sagunto, het eindpunt van de Vía Verde, heeft een museumpje over de Ojos Negros. Boven het toerisme-bureau is een verdieping ingericht met de industriële geschiedenis van deze onderneming. De medewerkster begeleidt mij persoonlijk naar het zaaltje. Er is bij de educatieve filmpjes zowaar een Nederlandse transcriptie beschikbaar.
Het museum, gebouw van de herinnering, opdat wij niet vergeten. Voor mij de ideale plek om mijn mentale mineralen te ontginnen.

Een dag later, ik bevind me op een terras in València. In de verte zie ik de heuvels liggen, zich neervlijend als een vermoeid oude man.
112 kruispunten, 112 keuzes, 112 perspectieven.
Dan volgt de aftiteling.
Dus ja.

Marc Peeters
(incl. al het beeldmateriaal)
December 2025